Er gaat een mobiele telefoon. Die is ondanks eerdere voornemens kennelijk toch weer in de broekzak meegegaan. Want je weet nooit of er een reden is dat de thuisblijvers je dringend nodig hebben. Op het schermpje zie ik ‘nummer onbekend’ staan. Waarschijnlijk dus het kantoor dat belt, want met onze bedrijfstelefooncentrale krijgt de ontvanger het nummer niet te zien. “We bellen alleen in dringende gevallen”, was me beloofd bij vertrek. “Je hebt immers vakantie”. Toen ik zelf twee dagen geleden even contact met mijn collega’s zocht werd ik vermanend toegesproken. “Waarom bel je eigenlijk? Vertrouw ons nu maar eens een keer. We kunnen echt wel een weekje zonder je”. Dát hadden ze natuurlijk willen zeggen. Maar omdat ze zo aardig zijn zeiden ze wat anders. “Je bent op vakantie! Denk niet aan je werk. Ga genieten!” Ik doe sindsdien mijn best.
Ik neem de telefoon op. “Met Halbe Zijlstra”, klinkt het aan de andere kant. Het is een mannenstem, met een accent dat ik niet kan thuisbrengen. Ik heb deze stem eerder gehoord, weet ik, en de naam zegt me ook wel iets. Maar het wil nog niet tot me doordringen wie er aan de andere kant van de lijn is. “Bel ik ongelegen?”, vraagt de stem. “Een beetje”, wil ik uitbrengen, maar de beller heeft het antwoord niet afgewacht. “Ik dacht ik bel even op naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur dat we vorige week hebben gekregen. Om alvast te laten weten dat ik dat advies natuurlijk niet zal opvolgen. Althans, als het om Het Nationale Ballet gaat. Het leek me goed dat jullie daarvan op de hoogte zijn. Dat scheelt een hoop gedoe en zo. Dus dat jullie weten dat het wel goed komt”.
Ik slaag erin om “Oh” terug te zeggen. Langzaam begint het me nu te dagen dat ik de Staatssecretaris van Cultuur aan de telefoon heb. In Denemarken, op een winderige vrijdagochtend, met een bleek zonnetje op een verder verlaten strand, voer ik een telefoongesprek met de man die de Nederlandse culturele sector zal gaan afbreken tot op het bot. In de verte schommelt nog steeds het visserbootje. Twee meeuwen voeren een perfecte glijvlucht uit. Halbe Zijlstra. Ik herken nu ook zijn accent; de man komt uit Friesland.
“Kijk, we hebben altijd gezegd dat er keuzes gemaakt moeten worden”, gaat hij verder. “Dat doet de Raad in zijn advies natuurlijk veel te weinig. Maar ik ga dat wel doen. Niet bij iedereen een been afhakken, maar kiezen voor kwaliteit. Het Nationale Ballet is top. Dat zegt de Visitatiecommissie ook. Er is ook maar één zo’n gezelschap in Nederland. En dat is nou net het verschil met de orkestmuziek en het toneel; daarvan hebben we plenty. Maar jullie zijn uniek. Jullie kunnen qua repertoire ook wat de andere topdansgezelschappen in ons land doen; die doen ook Van Manen. Maar zij kunnen niet wat jullie kunnen. Zwanenmeer, Notenkraker, dat soort werk. Dan ga ik jullie toch niet amputeren? Denken ze bij de Raad dat ik gek ben?”
Ik heb waarschijnlijk instemmend geknikt. De meeuwen, die inmiddels vlakbij zijn geland, kijken me welhaast vragend aan. Alsof ze wachten totdat ik ook nog iets ga zeggen. Maar de beller heeft mijn antwoord helemaal niet nodig. “Ik heb mijn ambtenaren dus alvast gezegd dat ze de bezuinigingsplaatjes moeten doorrekenen zonder een korting voor Het Nationale Ballet”. Hij houdt even in. “Maar op één voorwaarde”. Weer een korte stilte. De man weet hoe hij een clou moet brengen, schiet door me heen. “Dat ik nooit hoef te komen kijken naar een uitvoering!” Voordat ik iets kan zeggen barst hij in een luid gebulder uit. “Hahahahah! Dat zou een bak zijn, als we dat in de krant konden zetten! Hahahaha. Nog leuker dan dat artikeltje na dat werkbezoek bij jullie. Dus wat denk je, hebben we een deal?” “Dank u wel, meneer Zijlstra”, horen de meeuwen me prevelen, een antwoord waarvoor ik me meteen daarna wel voor mijn kop kan slaan. Ik had natuurlijk moeten doorvragen, kritische vragen moeten stellen. Nu was het gesprek zomaar afgelopen. Terwijl er nog zoveel te zeggen zou zijn geweest. En je gaat de staatssecretaris toch niet bedanken voor iets dat helemaal terecht en logisch is? Dat hij zijn werk doet verdient toch geen slaafse dankbaarheid? Maar het is te laat. Halbe Zijlstra is net zo snel weer weg als hij gekomen is. De meeuwen vliegen luid krijsend weer weg. Het is alsof ze me uitlachen.
De vissersboot is nergens meer te zien. Waar ik ook kijk, de boot is van de horizon verdwenen. Maar ik heb hem niet zien wegvaren. Dat kan toch niet? Dan kijk ik op mijn horloge. Hoe lang ben ik hier al? Kennelijk al een hele tijd. Heb ik liggen slapen? Thuis, althans in het vakantiehuisje, zullen ze wel ongerust geworden zijn. Zich afvragen waar ik blijf. Snel even bellen, dat ik eraan kom. Maar na enkele minuten zoeken naar mijn mobieltje herinner ik het me: ik heb mijn telefoon helemaal niet meegenomen. Die heb ik heel bewust in het huisje laten liggen.
Ik ging immers genieten. Ontspannen. Nederland even achter me laten.
