Het kantoor van de Balanchine Trust is welbeschouwd een van de belangrijkste plekken in de internationale danswereld. Hier wordt namelijk de erfenis van George Balanchine beheerd. De Trust ziet erop toe dat de balletten precies worden uitgevoerd zoals de grote meester dat zelf bedoeld heeft. En niet ieder gezelschap kan dat. Dus mag je alleen zijn werk op het repertoire nemen als je dansers en artistieke staf goed zijn, als je de licentie kunt betalen, en als je genoeg repetitietijd beschikbaar maakt. En let op: het werk moet worden ingestudeerd door de balletmeesters die door de Trust worden aangewezen. Die hebben zelf nog met Balanchine zelf gewerkt en weten dus precies hoe het ballet bedoeld is. Kortom, zonder goedkeuring van de Balanchine Trust voert geen gezelschap in de wereld iets uit van de grote choreograaf. Een machtige positie.
Maar wie het kantoor betreedt van de directrice van de Trust heeft andere associaties. Dit kleine kamertje zonder ramen en zonder daglicht zou in Nederland hoogstens worden aangewezen als pauzelocatie voor de schoonmakers.
Ik ben in New York.
Op weg naar het kantoor van American Ballet Theatre (ABT), in een flatgebouw aan het prestigieuze Broadway, stap ik de lift in. In de hoek van de lift zit een man op een klein krukje. “How are you today”, zegt hij, terwijl hij het stalen hek van de stokoude lift dichtschuift en de lift door middel van het overhalen van een hendel in beweging brengt. Dit is de ‘liftbestuurder’ en dat is zijn werk. De hele dag zit hij op een krukje in een lift van twee bij twee.
Bij ABT aangekomen blijken ook daar hele afdelingen kantoor te houden in ruimtes zonder daglicht, net als trouwens bij New York City Ballet. Als ik vertel dat het in Nederland bij wet verboden is om langer dan vier uur achtereen in ruimtes zonder daglicht te werken wordt er verbaasd gekeken. Dan kon half New York wel sluiten. De vierkantemeternorm die in Nederland maximeert hoeveel mensen in een bepaalde ruimte mogen zitten, noem ik maar niet. Kansloos.
De directeur van ABT zet tijdens onze bespreking de ramen van zijn kantoor wagenwijd open. Buiten is het een paar graden boven nul, maar binnen is het benauwd en bloedheet. “Niets aan te doen”, zegt hij, “centrale verwarming. Het is hier altijd te heet of te koud”. Geen geld om de oude installatie te vervangen, net zoals er geen geld is voor een moderne lift. Al het geld dat er is staat op het podium. Er is sowieso geld te weinig. Hier krijgt men nauwelijks subsidie.
New York City Ballet heeft er net een reeks van meer dan veertig Notenkrakers op zitten. Ze doen er gerust twaalf per week, zes dagen twee per dag. Weken achtereen. Ook dat zouden wij reglementair nooit kunnen. Kennelijk hebben de toch altijd als machtig omschreven vakbonden dat allemaal goed gevonden. Ze moesten wel. Geen voorstelling betekent geen inkomsten voor het gezelschap en dus geen salaris voor de medewerkers. Immers: geen subsidie! En Notenkraker is de ‘cash cow’. Jaar in, jaar uit brengt de Notenkraker het geld binnen waar de rest van het seizoen uit betaald moet worden. Hier hangt alles van af. Volgend jaar dus weer 45 voorstellingen. ‘Back-to-back’.
New York City Ballet speelt zijn voorstellingen in het David H. Koch Theatre, dat vroeger anders heette maar sinds een gigantische donatie nu genoemd wordt naar de weldoener. Een mooi theater. Maar de trekkenwand is er nog met de hand.
Amerika. Het is een fascinerend land. Zo mag je alles, zo mag je niets: wil je als gezelschap een voorstelling opnemen, dan moet je betalen. Aan de dansers, de choreograaf en de ontwerpers, zoals wij dat ook kennen. Maar ook aan zo ongeveer alle andere afdelingen in het theater. Al komen die niet op de opname in beeld of zijn ze niet eens direct aan de voorstelling verbonden. De directie moet met zo’n zeven verschillende vakbonden een akkoord bereiken, tot en met het kassapersoneel aan toe. Die willen allemaal geld zien. Geen wonder dat er daar vrijwel niets meer wordt opgenomen.
Op de weg terug naar Nederland spelen vragen door mijn hoofd. Hoe fantastisch er ook wordt gedanst bij de New Yorkse gezelschappen, het lijkt me toch ellendig om je medewerkers zulke arbeidsomstandigheden te moeten bieden. Maar hebben wij niet al te makkelijk praten met 70% subsidie? Zijn wij in de loop der tijd niet wat te verwend geraakt in Nederland? – ik hoorde mijn Amerikaanse gesprekspartners immers niet klagen!? En in Londen zitten de kantoren vaak ook in de kelder van het theater….
Is dit wat ook ons te wachten staat als Geert het echt voor het zeggen krijgt?
Om te wennen zet ik vandaag de verwarming alvast op nul.
< blog archief