Het was feest in Het Concertgebouw, vorige week zondag. Impresario Marco Riaskoff vierde er het 25-jarig jubileum van zijn concertserie. Maar liefst acht pianisten van de beroemdste soort waren uitgerukt om het jubileum luister bij te zetten. De vele notabelen, voor de gelegenheid uitgedost in avondkleding, genoten met volle teugen van het klaviergeweld. Ook de Majesteit had een fijne avond. De pianisten zelf waarschijnlijk evenzeer, want ze komen graag in Het Concertgebouw én ze komen graag bij Marco. Die combinatie zorgt ervoor dat de serie als 25 jaar succesvol is. Uniek in de wereld.

Marco Riaskoff, overigens een groot balletfan, is geen gewone impresario. Want het is uitzonderlijk dat hij zijn eigen concertserie organiseert. Het is namelijk een enorme uitdaging om een concertenreeks niet alleen artistiek maar ook zakelijk te laten slagen. De concertzalen met hun grote marketingafdelingen hebben er hun handen vol aan. Dat kleine ‘bedrijfjes’ van gepassioneerde eenlingen in dat geweld weten te overleven is een prestatie van jewelste. Marco is dus bijzonder. Net als Rob Groen, die ook zijn eigen serie in Het Concertgebouw had totdat hij een paar jaar geleden met pensioen ging. Legendarische figuren, die geen opvolgers hebben.

Maar de ‘gewone’ impresario, die blijf je overal tegenkomen. In de sport kennen we de ‘spelersmakelaar’, dus impresario klinkt in ieder geval een stuk chiquer. Maar in wezen zijn ze eender: makelaar tussen vraag en aanbod. Als orkesten, zalen of operahuizen een bepaalde artiest willen engageren dan bellen ze de impresario die de betreffende artiest vertegenwoordigt. Die kijkt dan of de wereldberoemde zanger of beginnende pianist nog een plekje heeft in zijn agenda, en onderhandelt vervolgens over het honorarium. Als beloning voor deze diensten krijgt de impresario een percentage van de fee die hij voor de artiest uit het vuur heeft gesleept.

In de sport hebben de spelersmakelaars een slechte naam. Gewetensloze handelaars die met spelers over de planeet schuiven en er vooral op uit zijn om er zelf zo rijk mogelijk van te worden. Toch denken de spelers daar vaak anders over. Want de makelaar is ook hun adviseur, die hen helpt bij het uitstippelen van hun loopbaan. En er is niets mis met een rijke makelaar: dan is de speler wiens belangen hij behartigt namelijk ook rijk geworden. “Show me the money!”

De adviseursrol van de impresario is belangrijk. Want de artiest ziet zich gesteld voor nogal wat “loopbaanvragen”. Welk repertoire moet ik nog even laten liggen? Voor bepaalde stukken moet je eerst rijpen. Welke uitnodigingen kunnen probleemloos aanvaard worden en welke moeten worden afgewezen? Debuteer je bij het ene gezelschap dan wil het andere je niet meer hebben. Kan ik het beste veel concerten of voorstellingen geven of juist een beetje exclusief blijven? Als je overal optreedt kun je jezelf voorbij lopen. En hoe verkoop ik mezelf het beste? Marketing is tegenwoordig bijna net zo belangrijk als artistieke kwaliteit.

Allemaal vragen waar de gemiddelde artiest geen antwoord op heeft. En ook helemaal niet mee bezig wil zijn. Daar bewijst de impresario zijn toegevoegde waarde.

Toch vinden artiesten vaak dat de impresario zijn percentage niet waard is. De jonge dirigent die na een paar veelbelovende debuuten niet meer wordt uitgenodigd, denkt al gauw dat het alleen maar komt doordat hij niet goed gepromoot wordt. En de gearriveerde Maestro meent zeker te weten dat hij helemaal geen vertegenwoordiger meer nodig heeft om gevraagd te blijven worden. Ze mopperen en klagen dan ook volop over hun impresario’s, die dirigenten en solisten. Maar slechts een enkeling durft het zonder te stellen.

Behalve in de dans. Veel choreografen doen het gewoon zelf. Toen ik net bij het ballet werkte moest ik in onderhandeling met Hans van Manen. Ik bereidde me voor op het gebruikelijke spel. De agent vraagt te veel. Ik doe een te laag tegenbod. De impresario is verontwaardigd en beargumenteert waarom ik toch echt omhoog moet, enzovoort. Ondertussen weet de artiest, het onderwerp van de koehandel, van niets. En dat is vaak maar goed ook. Tot mijn verbazing bleek Hans de onderhandeling helemaal zelf te doen. Hij kwam zelf wel eventjes langs. En na tien minuten waren we er uit. Het gaat per slot van rekening niet om het spel, maar om de knikkers.

Opties

  • delen